Veelgestelde vragen


Een aanvraag voor SectorplanPlus dient u in via het webportaal op www.sectorplanplus.nl

Voor het 1e tijdvak van SectorplanPlus geldt dat de projectovereenkomst pas na de aanvraagperiode wordt gesloten. Hierin kunnen wijzigingen voorkomen. Het ingediende opleidingsproject wordt besproken met de projectleider/adviseur SectorplanPlus van de regionale werkgeversorganisatie.

Voor het 2e t/m het 4e tijdvak geldt dat eenmaal ingediende aanvraag definitief is.

 

Voor het 1e tijdvak gold dat er maximaal één aanvraag per arbeidsorganisatie ingediend kon worden.

Vanaf het 2e tijdvak geldt dat een arbeidsorganisatie maximaal één aanvraag per arbeidsmarktregio kan indienen.
Een aanvraag (opleidingsproject) heeft betrekking op slechts één arbeidsmarktregio. Als uw arbeidsorganisatie actief is in meerdere arbeidsmarktregio’s dan dient u per arbeidsmarktregio één aanvraag in onder hetzelfde account. Iedere aanvraag wordt behandeld door de regionale werkgeversorganisatie die actief is in de betreffende arbeidsmarktregio.

Nee, er is hiervoor geen uitstel mogelijk. De deadlines zullen per tijdvak vooraf worden gecommuniceerd. 

De deadline voor het 2e tijdvak is: 15 juni 2018 tot middernacht. Uiteraard adviseren wij u om tijdig uw aanvraag in te dienen. 

In het 1e tijdvak konden aanvragen voor SectorplanPlus worden ingediend bij alle regionale werkgeverorganisaties. Wel moest worden aangegeven op welke regio’s de aanvraag betrekking had. 

Vanaf het 2e tijdvak worden aanvragen gedaan per arbeidsmarktregio waar de aanvraag betrekking op heeft. Er kan maximaal één aanvraag per arbeidsmarktregio worden ingediend.

Een aanvraag (opleidingsproject) heeft betrekking op slechts één arbeidsmarktregio. Als uw arbeidsorganisatie actief is in meerdere arbeidsmarktregio’s dan dient u per arbeidsmarktregio één aanvraag in onder hetzelfde account. Iedere aanvraag wordt behandeld door de regionale werkgeversorganisaties die actief is in de betreffende arbeidsmarktregio.

Door contact op te nemen met de regionale werkgeversorganisatie in de (arbeidsmarkt)regio ('s) waar uw organisatie actief is.

Arbeidsorganisaties die deelnemen aan SectorplanPlus moeten verklaren dat de voorgenomen opleidingsactiviteiten van arbeidsorganisaties passen binnen de doelstellingen van RAAT en dat zij een actieve bijdrage zullen leveren aan de realisatie van de doelstellingen van RAAT in de regio c.q. de regio’s waar deze opleidingsactiviteiten worden uitgevoerd en dat zij daarop aanspreekbaar zijn. 

Lees ook het antwoord op vraag 1.08 in verband met de rol van de adviescommissie in relatie tot RAAT. 

 

 

Voor het 1e tijdvak gold dat alle nieuwe instroom tussen 24-8-2017 en 30-4-2018 voor subsidie in aanmerking komt indien aan de richtlijnen van SectorplanPlus wordt voldaan.

Zie voor tijdvak 2 antwoord 1.07. 

 

Voor arbeidsorganisaties in de verpleeghuiszorg geldt dat voor aanvragen SectorplanPlus vanaf het tweede tijdvak het zorgkantoor akkoord moet gaan met het opleidingsproject voordat het opleidingsproject wordt ingediend.

Opleidingsprojecten die betrekking hebben op de ‘Verpleeghuiszorg’ worden na het aanmaken van de aanvraag in het webportal ter advies voorgelegd aan het Zorgkantoor in de betreffende arbeidsmarktregio. Hiervoor krijgt u nadat uw aanvraag is beoordeeld een format adviesrapport. De inhoud van het advies staat een subsidietoekenning niet in de weg. Het advies heeft met name betrekking op de vraag of de aanvraag in lijn is met de (kwaliteits)ontwikkeling die de zorgorganisatie doormaakt, onder andere blijkend uit het kwaliteitsplan, het kwaliteitsverslag en de inkoopgesprekken van  het zorgkantoor met de organisatie. Het adviesrapport dient aanwezig te zijn in het portal voordat u de projectovereenkomst afsluit voor het tweede tijdvak.

 

De voortgang van de regionale actieplannen gaat door het ministerie van VWS worden gevolgd door een adviescommissie, welke door VWS wordt ingesteld. Deze adviescommissie wordt komende periode geïnstalleerd en start met het opstellen van een referentiekader, aan de hand van de elementen zoals genoemd op p. 15 van het Actieprogramma Werken in de Zorg.

Begin augustus wordt bekend of en hoeveel subsidie voor een arbeidsorganisatie wordt gereserveerd.
Van het te verlenen budget geldt dat 25% beschikbaar komt onder de voorwaarde van een positief advies voor de betreffende arbeidsmarktregio van de adviescommissie.

In de tweede helft van 2018 zal de adviescommissie alle RAAT’s adviseren en beoordelen aan de hand van dat referentiekader. De adviescommissie brengt vervolgens advies uit aan VWS over al dan niet het toekennen van de 25%. Mocht een advies in het najaar van 2018 onverhoopt negatief uitvallen, dan is er de mogelijkheid om dit in het voorjaar van 2019 te repareren. De adviescommissie beoordeelt en brengt opnieuw advies uit aan VWS.

 

 

Voor activiteiten A en B gelden de normbedragen. Het normbedrag is een standaard subsidiebedrag die u ontvangt voor de scholing van de deelnemer. Dit is resp. € 2.500,- voor een éénjarige traject en € 5.000,- voor een tweejarig traject.

Voor de activiteiten (C, D en E) is sprake van subsidie op basis van daadwerkelijk gemaakte subsidiabele kosten. De maximale vergoedingen (subsidie) zijn € 2.000,- (activiteit C); € 750,- (activiteit D) en € 250,- (activiteit E) per traject.

De normbedragen onder C, De en E zoals opgenomen in de tabellen op pagina 13 en 14 van het Programma van Eisen zijn indicatief. U dient dus de werkelijke kosten in te vullen, rekening houdend met de maximum vergoeding per traject.

 

Vanaf vanaf 1 mei 2018 is het de bedoeling om met de presentielijsten (intern en extern) te gaan werken die als format zijn verstrekt. Deze staan ook als bijlagen in het handboekOp deze manier wordt de uniformiteit gewaarborgd en maakt dat het controleren straks overzichtelijk.

Het is dus per heden niet meer de bedoeling dat er met eigen presentielijstformats wordt gewerkt. Dit om fouten zo veel mogelijk te voorkomen.

Verder is het belangrijk om te weten dat:

  • Presentielijsten tijdig moeten worden geüpload om goedgekeurd te worden. Oftewel: te laat geüploade presentielijsten worden afgekeurd.
  • Alleen volledig ingevulde, correct ondertekende (zie de verschillen intern/extern in handboek) en gedateerde presentielijsten zijn bruikbaar voor de subsidieverantwoording.

Om het zo makkelijk mogelijk voor de arbeidsorganisatie te maken en tegelijkertijd zo uniform mogelijk te houden, zullen de formats binnenkort ook in de portal hangen. Gegevens vanuit het systeem worden dan vooraf ingevuld op de presentielijst.

De deadline voor het 2e tijdvak is: 15 juni 2018 tot middernacht.

Uiteraard adviseren wij u om tijdig uw aanvraag in te dienen. 

SectorplanPlus kan worden aangevraagd door arbeidsorganisaties actief in de sector zorg- en welzijn waarvan de activiteiten geheel of gedeeltelijk bekostigd worden uit hoofde van de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Jeugdwet of de Wet maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) en (vanaf tijdvak 2) de Wet Publieke Gezondheidszorg (WPG). Arbeidsorganisaties die niet aan deze definitie voldoen, komen niet in aanmerking.

Bij de vorige sectorplannen, die door ministerie van SZW waren geïnitieerd, was er een specifiek sectorplan voor die branches en waren de 18 regionale sectorplannen daardoor vooral gericht op de zorg.

Bij SectorplanPlus is het inderdaad Zorg en Welzijn breed, mits de activiteiten van de arbeidsorganisatie geheel of gedeeltelijk bekostigd worden uit hoofde van de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Jeugdwet of de Wet maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) en
 (vanaf tijdvak 2) de Wet Publieke Gezondheidszorg (WPG).

Als eerste de Ondernemingsraad (OR). Als deze er niet is, dan de medezeggenschapsraad (MR) tekenen. Mocht deze er ook niet zijn, dan mag de personeelsvertegenwoordiging (PvT) van de organisatie tekenen.  Als er geen formele PvT is, dan mag een bestuurder de aanvraag voor SectorplanPlus mede ondertekenen (zie statuten van eigen organisatie voor tekenbevoegheid). 

Nee, het SectorplanPlus is toegankelijk voor zowel leden als niet-leden van regionale werkgeversorganisaties van de bij RegioPlus aangesloten organisatie.

Ja, het is mogelijk om na 15 mei 2018 nog een account aan te maken. Houdt er rekening mee dat u uiterlijk op 15 juni 2018 uw aanvraag hebt ingediend. 

 

Een tekenbevoegd persoon (of personen) moet de projectovereenkomst ondertekenen. Dit wordt gecontroleerd aan de hand van een uittreksel KvK (deze mag bij uploaden niet ouder zijn dan 6 maanden). Als een persoon getekend heeft die niet in het uittreksel staat, maar hij/zij wel gemandateerd is - dan moet bij het uittreksel een bladzijde worden toegevoegd waaruit blijkt dat deze persoon bevoegd is dit soort overeenkomsten te tekenen. Hierbij kan men denken aan (een deel van de) statuten of een contract. 

Indien een niet-tekenbevoegd persoon de projectovereenkomst heeft getekend, dan is de overeenkomst niet rechtsgeldig. Dit kan de subsidieaanvraag in gevaar brengen. 

In eerste instantie is de arbeidsorganisatie verantwoordelijk voor de correcte ondertekening van de projectovereenkomst en het bijvoegen van de gewenste stukken ter controle. Een projectleider voert een eerstelijns controle uit en het Shared Service Center voert een tweedelijns controle uit. 

Een aanvraag (opleidingsproject) heeft betrekking op slechts één arbeidsmarktregio. Vanaf tijdvak 2 geldt dat als uw arbeidsorganisatie actief is in meerdere arbeidsmarktregio’s u per arbeidsmarktregio een aanvraag indient  onder hetzelfde account. Iedere aanvraag wordt behandeld door de regionale werkgeversorganisaties die actief is in de betreffende arbeidsmarktregio. In bijlage 3 van het Programma van Eisen is een overzicht opgenomen van alle arbeidsmarktregio’s gekoppeld aan de regionale werkgeversorganisaties.

Bij de uitvoering van het SectorplanPlus is het zogenaamde ‘groepscriterium’ van toepassing. Dit betekent dat alle ondernemingen die behoren tot een groep gezamenlijk maximaal één aanvraag per arbeidsmarktregio kunnen indienen.

 

  • Er is geen maximaal aantal deelnemers, alleen een beperking in het budget per organisatie.
  • Vanaf het 2e tijdvak dient een arbeidsorganisatie per arbeidsmarktegio een aparte aanvraag in (max. 1 per arbeidsmarktregio).
  • Vanaf het 2e tijdvak is het maximale subsidiebedrag per organisatie € 2 miljoen.
  • De € 80 miljoen die voor het 2e tijdvak beschikbaar is gesteld, wordt via een verdeelsleutel verdeeld over de regio’s en de organisaties die een aanvraag indienen.
Voor het 2e tijdvak geldt dat aanvragen vanaf 15 mei tot uiterlijk 15 juni 2018 kunnen worden ingediend. 
  • Alleen opleidingsactiviteiten die voldoen aan de gestelde criteria en die aanvangen in het tijdvak vanaf 1 mei 2018 tot en met 31 december 2018 komen in aanmerking voor subsidie. 
  • De uitvoeringsperiode voor opleidingsprojecten in het 2e tijdvak loopt van 1 mei 2018 tot en met 31 december 2020.


Opleidingsactiviteiten die aanvangen vanaf 1 januari 2019 dienen te worden opgenomen in de aanvraag voor het 3e tijdvak.

In de aanvraag voor het 2e tijdvak wordt onderscheid gemaakt tussen deelnemers voor de ‘Verpleeghuiszorg’ en voor de deelnemers van de ‘Overige sectoren’ in zorg en welzijn.

Opleidingsprojecten die betrekking hebben op de ‘Verpleeghuiszorg’ worden na het aanmaken van de aanvraag in het webportal ter advies voorgelegd aan het Zorgkantoor in de betreffende arbeidsmarktregio. Hiervoor krijgt u nadat uw aanvraag is beoordeeld een format adviesrapport. De inhoud van het advies staat een subsidietoekenning niet in de weg. Het advies heeft met name betrekking op de vraag of de aanvraag in lijn is met de (kwaliteits)ontwikkeling die de zorgorganisatie doormaakt, onder andere blijkend uit het kwaliteitsplan, het kwaliteitsverslag en de inkoopgesprekken van het zorgkantoor met de organisatie. Het adviesrapport dient aanwezig te zijn in het portal voordat u de projectovereenkomst afsluit voor het 2e tijdvak.

 

 

We zien bij werkgevers diverse initiatieven om mensen te laten kennis maken met het werken in de zorg. Recent zijn in de nieuwe cao VVT ook Oriëntatiebanen geïntroduceerd, met een apart arbeidsvoorwaardenregime. Voor kosten die samenhangen met oriëntatiebanen kunnen werkgevers een aanvraag indienen in het kader van het SectorplanPlus.  De oriëntatiebaan past binnen maatregel C, waarvoor een maximale bijdrage van € 2.000,- kan worden verstrekt. Dat geldt niet alleen voor werkgevers in de VVT-sector, maar ook voor andere sectoren.

 

Oriëntatiebanen en vergelijkbare initiatieven zijn een vorm van pre-scholing en/of EVC-vorming gericht op ‘nieuwe instroom’. Daarbij is wel van belang dat een deelnemer vanaf de eerste werkdag salaris ontvangt m.a.w. sprake is van een dienstverband, en betrokkene boven-formatief wordt ingezet. 

De oriëntatiebaan past binnen maatregel C, waarvoor een maximale bijdrage van € 2.000,- kan worden verstrekt. Dat geldt voor werkgevers in de VVT-sector en ook voor andere Zorg & Welzijn sectoren.

De loonkosten gedurende deze periode van maximaal 3 maanden worden in dat geval gezien als verletkosten samenhangend met scholing.  Dit maakt de administratieve verantwoording simpel. Op zich komen ook andere (begeleiding, voorschakeling e.d.) in aanmerking voor subsidiering, maar omdat het maximale subsidiebedrag al bereikt wordt door de loonkosten inzichtelijk te maken, is het niet zinvol om andere kosten ook in de verantwoording mee te nemen.

Na het doorlopen van een oriëntatiebaan hebben de medewerker en werkgever meer zicht op competenties, opleidingsbehoefte en inzetbaarheid van de werknemer. Daardoor kan gericht toegeleid worden naar een baan of leertraject (op maat) in de zorg. Mocht een medewerker doorstromen naar bijvoorbeeld een Leer-werkbaan, zoals een BBL-opleiding, dan is deze ook subsidiabel, vanuit maatregel A of B.

 

Alleen werknemers van de zorg- en welzijnsorganisaties welke werkzaam zijn (of gaan worden) in zorggebonden functies en werk- en/of praktijkbegeleiders komen in aanmerking voor subsidie. Daarnaast moeten alle deelnemers binnen minimaal een van vier onderstaande doelgroepen passen.

  • Werknemers die nieuw instromen (nieuwe instroom);
  • Werknemers die met ontslag worden bedreigd (met ontslag bedreigde werknemers);
  • Werknemers die via een kwalificerende opleiding worden opgeschoold om ruimte te creëren voor nieuwe instroom (opscholing);
  • Werknemers die worden opgeleid tot praktijkbegeleider/ -ondersteuner om de nieuwe instroom te kunnen begeleiden.

Voor deelnemers aan kwalificerend onderwijs onder activiteit A en B geldt een minimale deelname van 6 maanden. Een werknemer onder activiteit A en B moet tevens minimaal een aanstelling hebben van 24 uur per week om voor subsidie in aanmerking te komen. Werknemers in een beroepsopleiding (BBL en HBO-duaal) die korter dan 6 maanden deelnemen aan de opleiding en/of een dienstverband hebben van minder dan 24 uur per week komen in aanmerking voor subsidie onder activiteit C. Net als de trajecten BBL derde leerweg, HBO-deeltijd en associate degree.

Zorg gebonden of cliëntgebonden functies zijn alleen die functies waarbij direct zorg wordt verleend door de medewerkers  aan cliënten/patiënten. Medewerkers die werken in ondersteunende, leidinggevende en facilitaire functies die niet direct cliëntgebonden zijn komen niet in aanmerking voor subsidie uit het SectorplanPlus. 

Nieuwe instroom zijn medewerkers die bij aanvang van de opleidingsactiviteit maximaal een jaar in dienst zijn bij de arbeidsorganisatie.

De volgende definitie wordt gehanteerd voor een ‘met ontslag bedreigde werknemer’:
Situatie waarin voor de werknemer en werkgever concreet zicht is op het niet vrijwillig beëindigen van het lopende dienstverband, anders dan door pensionering.

Opscholing is beroepskwalificerende scholing voor medewerkers middels BBL, hbo duaal, associate degree of derde leerweg, waardoor de medewerker in staat is om door te stromen binnen de organisatie waardoor er ruimte ontstaat voor nieuwe instroom.

Voorwaarde opscholing
Opscholing is één van de vier doelgroepen in het SectorplanPlus (naast nieuwe instroom, met ontslag bedreigd en praktijk-/werkbegeleider). Een cursist valt binnen de doelgroep Opscholing indien een opleiding wordt gevolgd voor een (andere) zorggebonden functie, waardoor ruimte komt voor nieuwe instroom. De nieuwe instroom hoeft niet direct in hetzelfde tijdvak gerealiseerd te worden, dit mag ook in een later tijdvak. 

Ja, mits die past binnen de eisen van het SectorplanPlus en start voordat het volgende tijdvak aanvangt.

Opleidingen tot praktijkbegeleider en werkbegeleider zijn subsidiabel in kader van het SectorplanPlus. Dit is een aparte doelgroep naast nieuwe instroom, opscholing en met ontslag bedreigd.
 
Definitie van praktijk-/werkbegeleider:
Praktijk-/werkbegeleiders onderhouden contacten met opleidingsinstellingen en begeleiden studenten (stagiaires, BOL, BBL, nieuwe instroom).

Toelichting:
Praktijk-/werkbegeleider gaat zowel over de organisatie als over de inhoud, bijvoorbeeld het beoordelen van (tussentijdse) rapportages die studenten moeten opleveren. Praktijkbegeleiders richten zich voornamelijk op de organisatie, werkbegeleiders op de vakinhoud.

Daarnaast bestaan opleidingen tot praktijkmanager. Dit betreft een opleiding en géén doelgroep binnen het SectorplanPlus. De opleiding tot praktijkmanager leidt werknemers op voor het management van een huisartsenpraktijk of tandartsenpraktijk.

Tijdvak 1
Alleen activiteiten die gestart zijn vanaf 24 augustus 2017 tot en met 30 april 2018 komen voor subsidie in aanmerking in het eerste tijdvak. Activiteiten gestart voor 24 augustus 2017 zijn niet subsidiabel. Een uitzondering hierop vormen de beroepskwalificerende opleidingen (Activiteiten A, B en C 3e leerweg, HBO deeltijd, Associate degrees) gestart in schooljaar 2017/2018. Deze opleidingen mogen eerder dan 24 augustus 2017 zijn gestart, maar zijn pas subsidiabel vanaf 24 augustus 2017.

Tijdvak 2
Opleidingsactiviteiten die aanvangen vanaf 1 mei 2018 dienen te worden opgenomen in de aanvraag van het 2e tijdvak.

Zie het handboek voor welke opleidingen subsidiabel zijn.

Opleidingen tot praktijkbegeleiders wel, maar opleiding tot docent is niet als zodanig in de beschikking opgenomen en komt daarom niet voor subsidie in aanmerking.
 

Als de BBL start in het tijdvak en het geen werknemer is die langer dan een jaar in dienst is, kan dit.

Voor activiteiten A en B zijn offertes niet nodig.

Voor de andere activiteiten geldt: 

  • Voor bedragen tot € 25.000,- excl. btw: er gelden geen aanvullende eisen. Onderhandse gunning is toegestaan.
  • Voor bedragen vanaf € 25.000,- gelden er maximum bedragen per deelnemer per uur.

 

Activiteit

Prijs per uur per deelnemer

 

1-10 deelnemers

Groep > 10

C

€ 24,33

€ 24,33

D

€ 40,56

€ 26,36

E

€ 51,71

€ 25,35

 

 

Deze is minimaal 6 maanden en maximaal 24 maanden. Een traject is niet subsidiabel als het traject minder dan 6 maanden duurt. Duurt het traject langer dan 24 maanden, dan zijn slechts 24 maanden subsidiabel.


De subsidiabele periode moet binnen het tijdvak vallen. Indien een opleiding doorloopt na einde van het tijdvak wordt het einddatum van het tijdvak tevens als einddatum opleiding gezien. Het subsidiebedrag wordt dan naar rato berekend.

Voor A en B: maximaal 2 jaar. Voor C, D, en E tijdens de looptijd van het tijdvak.

Indien een opleiding doorloopt na einde van het tijdvak wordt het einddatum van het tijdvak tevens als einddatum opleiding gezien. Het subsidiebedrag wordt dan naar rato berekend.

Als aan de verantwoordingsnormen van SectorplanPlus wordt voldaan, is het toegestaan. 

Voor E-learning zijn de verletkosten niet subsidiabel. 

Een BBL-traject bestaat uit tenminste 610 uren beroepspraktijkvorming (BPV-uren). Het aantal uren BPV (of praktijkuren) staat vermeld op de BPVO/POK. Verkorte BBL trajecten met minder praktijkuren vallen doorgaans onder de categorie ‘derde leerweg’. Dit is tevens zichtbaar op de BPVO/POK.

  • de kwalificerende opleidingen mbo (bbl en 3e leerweg) en hbo (duaal en deeltijd) voor zorg en welzijn zoals gedefinieerd in de Subsidieregeling stageplaatsen zorg, alsmede de niveau 5 (Associate Degree) variant van deze opleidingen. 
  • De onderstaande opleidingen (kwalificatiedossiers) voor zover deze gericht zijn op directe zorgtaken:
  • 3189 dienstverlening;
  • 3110 entree;
  • 3185 sociaal werk;
  • 5488 sociaal-cultureel werker;
  • 5489 sociaal-maatschappelijk dienstverlener.
  • de gecombineerde opleiding Verzorgende-IG (VIG) en maatschappelijke zorg;
  • de opleiding tot praktijkondersteuner huisartsen (somatiek, ggz en jeugd) en
  • de opleiding tot praktijkopleider in de zorg mbo-niveau 4 (crebo 25487, 23184 en equivalenten) en praktijkopleider in de zorg hbo-niveau.

 

Per tijdvak van SectorplanPlus stelt VWS vooraf een budget vast. In totaal is het subsidiebudget € 320 miljoen, verdeeld over 5 jaar. Voor het eerste tijdvak is € 80 miljoen beschikbaar gesteld.
Voor het tweede tijdvak is € 80 miljoen beschikbaar gesteld.

Van de € 320 miljoen is € 260 miljoen beschikbaar gesteld voor de verpleeghuiszorg en € 60 miljoen voor de overige sectoren. 

Er moet onderscheid gemaakt worden tussen de deelnemers voor de Verpleeghuissector en voor de deelnemers van de overige sectoren.

De CAO waaronder de medewerker waarvoor subsidie wordt aangevraagd valt én de wettelijke grondslag waaronder de zorgverlening plaatsvindt zijn hierin leidend.

Voor het eerste tijdvak van SectorplanPlus komen activiteiten met een startdatum vanaf 24 augustus 2017 tot en met 30 april 2018 in aanmerking voor subsidie.

Voor het tweede tijdvak van SectorplanPlus komen activiteiten met een startdatum vanaf 1 mei 2018 tot en met 31 december 2018 in aanmerking voor subsidie. 
Het tijdvak waarin voor het tweede tijdvak een aanvraag kan worden ingediend loopt vanaf 1 mei 2018 tot en met 15 juni 2018.

Opleidingsactiviteiten die aanvangen vanaf 1 januari 2019 dienen te worden opgenomen in de aanvraag voor het derde tijdvak.
 

Het maximale subsidiebedrag per organisatie is € 2 miljoen per organisatie, per tijdvak.

De subsidie die per tijdvak (€ 80 miljoen voor tijdvak 1 en € 80 miljoen voor tijdvak 2) van SectorplanPlus beschikbaar is gesteld, wordt via een verdeelsleutel verdeeld over de regio’s en de organisaties die een aanvraag indienen.
 

Er komt voor SectorplanPlus nog een bevoorschottingsregeling. Deze wordt nog nader uitgewerkt.

Voor activiteit A moet een werknemer minimaal 24 uur per week werken om subsidie via SectorplanPlus te krijgen.

Om voor de volledige subsidie van € 5.000 in aanmerking moet de looptijd van de opleiding minimaal 2 jaar zijn. De subsidie wordt per deelnemer toegekend.

Een BBL-er met een dienstverband van minder dan 24 uur per week komt in aanmerking voor subsidie van het SectorplanPlus onder activiteit C.  Voor activiteit C geldt een maximale subsidie van € 2.000 per deelnemer per opleiding.

Met de subsidie voor het project SectorplanPlus wordt er – aanvullend op de bestaande instrumenten zoals de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II, het Regionaal Investeringsfonds mbo (RIF) en de Regeling Praktijkleren van het ministerie van OCW – een extra impuls gegeven voor opleidingsprojecten.

Met deze subsidies mag de aanvraag dus worden gecombineerd zolang de totale subsidie niet boven de € 2 mln per organisatie per tijdvak uit komt en maximaal 50% van de kosten worden vergoed (voor middelgrote en kleine ondernemingen geldt een percentage van 60% en respectievelijk 70%).

Voor overige combinaties van subsidies zijn organisaties er zelf verantwoordelijk voor dat stapeling niet aan de orde is.


In de beschikking staat hierover het volgende bij C4. 
 

Subsidie in lijn met steunintensiteiten
De gevraagde subsidie voor de opleidingsprojecten komt niet uit boven de steunintensiteit zoals omschreven in artikel 31, vierde lid, van de AGVV. De steunintensiteit voor activiteiten C, D en E bedraagt ten hoogste 50%, respectievelijk 60% of 70% voor middelgrote en kleine ondernemingen, van de in aanmerking komende kosten.

Voor activiteiten A en B geldt dat er sprake kan zijn van samenloop met de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II en de Regeling Praktijkleren. Op basis van de bij aanvraag door RegioCoöp aangeleverde standaardkosten voor deze activiteiten kan de maximale cumulatieve vergoeding vanuit de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II, de Regeling praktijkleren en SectorplanPlus, nooit boven de drempel van 50% komen. Hierdoor wordt voldaan aan de vereisten als genoemd in artikel 31, vierde lid, van de AGVV. Opleidingsprojecten worden tot maximaal € 2 miljoen gesubsidieerd.

Subsidiegelden die door een werkgever worden ontvangen op grond van (een) andere regeling(en) worden niet meegerekend bij voornoemd maximum bedrag dat op grond van deze subsidie wordt ontvangen. Het gaat hierbij immers om een opleidingsproject dat valt binnen deze regeling met zijn eigen specifieke maximum. In totaliteit kan derhalve op grond van de verschillende regelingen meer dan het bedrag van € 2 miljoen aan subsidie worden verkregen. Wel wordt rekening gehouden met opeenstapeling van subsidiegelden die dezelfde kosten ondervangen. Deze kosten mogen immers niet voor meer dan 50% (respectievelijk 60% en 70%) door de overheid worden gesubsideerd. Door de onderliggende berekening bij de standaardbedragen bij activiteiten A en B (zie hieronder) wordt hieraan bij deze activiteiten in ieder geval voldaan.

Wanneer een arbeidsorganisatie subsidie ontvangt vanuit de subsidieregeling Kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg (KPZ) kan geen subsidie worden ontvangen in het kader van SectorplanPlus, voor zover de subsidie vanuit de KPZ ziet op dezelfde subsidiabele kosten.

Bij overvraging van SectorplanPlus wordt door het ministerie van VWS via een verdeelsleutel het budget over de aanvragende organisaties verdeeld. Deze verdeelsleutel wordt dan kenbaar gemaakt.

Voor kwalificerend onderwijs (activiteiten A en B) geldt: een minimale deelname van 6 maanden met een maximale bijdrage van € 5.000,- euro voor een periode van maximaal 2 jaar.

Voor de overige activiteiten (C, D en E) is sprake van subsidie op basis van daadwerkelijk gemaakte subsidiabele kosten. De maximale vergoedingen zijn € 2.000,- (activiteit C); € 750,- (activiteit D) en € 250,- (activiteit E) per traject.

De vergoedingen zijn per deelnemer per opleiding.

Ja, bij de trainingen (activiteit C, D en E) wordt vergoed, mits voorzien van juiste bewijslast:

  • Verletkosten deelnemer
  • Loonkosten instructeur
  • Externe kosten van opleidingsleveranciers

 

Er is sprake van staatssteun als aan de volgende vijf cumulatieve criteria is voldaan:
• de steun wordt verleend aan een onderneming (elke entiteit die diensten of producten aanbiedt op een markt);
• de steun wordt met staatsmiddelen bekostigd;
• de staatsmiddelen verschaffen een economisch voordeel dat niet via de normale commerciële weg zou zijn verkregen;
• de maatregel is selectief;
• de maatregel vervalst (potentieel) de mededinging en (dreigt te) leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de EU.

Bij subsidiëring van activiteiten A t/m E wordt aan de cumulatieve criteria voor staatssteun voldaan. In beginsel is er hierbij dus sprake van staatssteun aan arbeidsorganisaties. 


Er kan evenwel sprake zijn van verenigbare staatssteun omdat er sprake is van opleidingssteun, mits deze voldoet aan de voorwaarden van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (ook wel de algemene groepsvrijstelling genoemd, hierna: de AGVV). 

 

Als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden van de AGVV, dan is steun (subsidie) toegestaan.

Het gaat daarbij om de volgende zeven voorwaarden:

1. De steun, op grond van artikel 4, eerste lid, onder n, van de AGVV niet meer dan € 2.000.000 bedragen per opleidingsproject.

2. Op grond van artikel 31, vierde lid, van de AGVV, de steunintensiteit nooit boven 50% van de in aanmerking komende kosten uitkomen (voor middelgrote en kleine ondernemingen geldt een percentage van 60% respectievelijk 70%; de steunintensiteit kan voorts oplopen met 10% (tot een maximum van 70%) bij opleidingen aan werknemers met een handicap.

3. De in aanmerking komende kosten voor subsidie moeten beperkt worden tot de soorten kosten die genoemd worden in artikel 31, derde lid, van de AGVV.

4. De verleende steun op grond van artikel 5 van de AGVV moet transparant zijn en moet sprake zijn van een stimulerend effect in de zin van artikel 6, tweede lid van de AGVV.

5. Er mag geen subsidie worden verstrekt aan ondernemingen die in financiële moeilijkheden verkeren als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01).

6. Subsidieaanvragers jegens wie een uitstaand bevel tot terugvordering is ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, mogen niet in aanmerking komen voor subsidie.

7. De volledige tekst van de steunmaatregel moet op nationaal niveau worden gepubliceerd en moeten de in bijlage III van de AGVV bedoelde gegevens van elke individuele steunverlening boven de € 500.000,- (aan een arbeidsorganisatie) worden gepubliceerd op grond van artikel 9 van de AGVV.

Aan deze voorwaarden wordt bij de verlening van deze subsidie voldaan.

De kosten gemoeid met de activiteiten A t/m E vallen onder de in aanmerking komende kosten voor subsidie zoals genoemd in artikel 31, derde lid, van de AGVV.

Het gaat hierbij namelijk om:

  • de personeelskosten van de opleiders, voor de uren dat de opleiders aan de opleiding deelnemen;
  • rechtstreeks met het opleidingsproject verband houdende operationele kosten van opleiders en deelnemers aan de opleiding, zoals reiskosten, materiaal en benodigdheden die rechtstreeks met het project verband houden, de afschrijving van werktuigen en uitrusting voor zover deze uitsluitend voor het opleidingsproject worden gebruikt;
  • kosten van adviesdiensten met betrekking tot het opleidingsproject;
  • de personeelskosten van de deelnemers aan de opleiding en algemene indirecte kosten (administratieve kosten, huur, algemene vaste kosten), voor de uren dat de deelnemers de opleiding bijwonen.

Accommodatiekosten zijn uitgesloten, met uitzondering van de minimaal noodzakelijke accommodatiekosten voor aan de opleiding deelnemende werknemers met een handicap.
 

De steun (subsidie) die op grond van deze beschikking wordt verstrekt, wordt niet verstrekt aan ondernemingen die in financiële moeilijkheden verkeren als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01) of ondernemingen jegens wie een uitstaand bevel tot terugvordering is ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.

Arbeidsorganisaties zijn hiervoor zelf verantwoordelijk. Voorafgaand aan de subsidieverlening is de steun aan de arbeidsorganisaties in de aanvraag gecontroleerd op verenigbaarheid met de AGVV. De arbeidsorganisaties hebben een eigen verantwoordelijkheid om te zorgen dat aan de staatssteunregels blijft worden voldaan gedurende de subsidieperiode.

Dit heeft onder meer te maken met de AGVV-eis 'transparante steun met een stimulerend effect.' (Zie ook vraag 6.05 Aan welke AGVV-voorwaarden wordt voldaan bij de verlening van deze subsidie?)

Aan de ondernemingen als genoemd in de aanvraag wordt steun verleend voor de in de aanvraag genoemde opleidingsprojecten. De volgende gegevens zijn bij de aanvraag per opleidingsproject vermeld:

  • de naam en grootte van de arbeidsorganisatie;
  • een beschrijving van het opleidingsproject, bestaande uit het aantal activiteiten uitgesplitst per type activiteit (A t/m E);
  • de begin- en einddatum van het tijdvak;
  • de locatie van het opleidingsproject, bestaande uit de naam van de arbeidsmarktregio waar het opleidingsproject is ingediend bij de regionale werkgeversorganisatie;
  • overzicht van projectkosten, bestaande uit het onder 2 genoemde, vermenigvuldigd met de daarvoor geldende normbedragen (activiteiten A en B) en geschatte kosten (activiteiten C, D, E).

Al deze projecten zijn aangevangen na aanvraag van de subsidie.

Hiermee wordt voldaan aan art. 5 en art. 6 van de AGVV.

 

Ja, mits de opleiding voorkomt op de lijst met subsidiabele opleidingen en de deelnemer aan de doelgroep voorwaarden voldoet.

Bekijk hier de lijst met subsidiabele opleidingen.

 

Als deze leergemeenschappen kwalificerende beroepsopleidingen bieden met de crebonummers zoals opgenomen kunnen ze worden ingediend voor een subsidieaanvraag via SectorplanPlus.

Er moet wel een formeel diploma worden uitgegeven. Als dat niet het geval is, kan het worden ondergebracht onder activiteit C van SectorplanPlus. 

Ja, EVC trajecten kunnen worden opgenomen onder de activiteiten D en E van SectorplanPlus.

Nee, ontwikkelkosten komen niet in aanmerking voor subsidie via SectorplanPlus. Dat betreft een investering.

De investering zelf niet, leeractiviteiten mogelijk wel als hiervan de kosten en prestatie kunnen worden aangetoond.

De activiteiten moeten uiteraard wel betrekking hebben op nieuwe instroom of met ontslag bedreigde werknemers

De maximale vergoeding voor activiteiten C, D, en E (korte, middellange en lange trainingen) bedraagt 50% en is maximaal  € 2.000,- voor activiteit C, € 750,- voor activiteit D en € 250,- voor activiteit E.

In het handboek staan de documenten en bijlagen die u moet administreren. Lees deze alstublieft goed door.

Voor vragen over het SectorplanPlus kunt u terecht bij de projectleider van uw arbeidsmarktregio.
Zie de website voor verdere informatie hierover.

Beide regelingen hebben als doel om bij te dragen aan voldoende en gekwalificeerd personeel.

Waardigheid en Trots is gericht op de kwaliteit van specifiek de verpleeghuiszorg en het huidige personeel.

SectorplanPlus is voor de gehele sector zorg en welzijn en gericht op nieuwe medewerkers, het behoud van met ontslag bedreigde werknemers en opscholing van medewerkers. Voorwaarde voor de middelen van Sectorplan Plus is commitment aan een regionale aanpak voor de tekorten op de arbeidsmarkt.  

SectorplanPlus heeft privacy hoog in het vaandel staan. SPP werkt volgens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Er is dan ook een verscheidenheid aan maatregelen genomen om datalekken te voorkomen. Zo wordt er een functionaris gegevensbescherming aangesteld, zijn maatregelen genomen om het interne systeem te beveiligen en wordt toegang tot gevoelige informatie voor medewerkers zoveel mogelijk beperkt zonder een belemmering te worden bij de uitvoering van het werk. Verder zijn allen die toegang hebben tot het systeem gebonden aan geheimhouding en gedragsrichtlijnen.

Om de uitgevoerde activiteiten te kunnen verantwoorden naar het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden er bepaalde persoonsgegevens verzameld van deelnemers, zoals geboortedatum en naam. Burgerservicenummers worden niet verzameld. Wel wordt er voor elke deelnemer voor de projectadministratie een unieke code aangemaakt op basis van de voorletters, de achternaam, de geboortedatum en het geslacht van de deelnemer. De arbeidsorganisatie vult deze informatie in.

Het BSN maakt geen deel uit van de administratie van het SectorplanPlus. Het is de verantwoordelijkheid van de arbeidsorganisatie waar een deelnemer werkzaam is om het BSN af te schermen op documentatie die wordt aangeleverd (bijvoorbeeld op een loonstrook).

Naast de deelnemer en de arbeidsorganisatie hebben de verantwoordelijke medewerkers van de werkgeversorganisaties en medewerkers van het Shared Service Center (SSC) van RegioCoöp toegang tot persoonsgegevens van deelnemers. Zowel de verantwoordelijke medewerkers van de werkgeversorganisaties als het SSC controleren de gegevens op compleetheid en correctheid.

Voor vragen over welke gegevens er van u geregistreerd zijn of vragen over de correctheid van deze gegevens dient u bij uw werkgever een verzoek tot inzage in te dienen.

Conform de voorwaarden van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden alle relevante persoonsgegevens bewaard tot tien jaar nadat de definitieve subsidie is vastgesteld en toegekend door het Ministerie na afronding van het gehele SectorplanPlus.

Het portaal is alleen via een SSL beveiligde verbinding te bereiken. Dit betekent dat ingevulde gegevens versleuteld worden verstuurd en niet door derden kunnen worden gelezen. Wachtwoorden worden ook versleuteld opgeslagen waardoor noch de systeembeheerder, noch andere partijen deze kunnen achterhalen.

Daarnaast wordt het portaal continu gescand op kwetsbaarheden. Er worden continu geautomatiseerde security scans uitgevoerd om kwetsbaarheden en misconfiguraties te voorkomen. De geautomatiseerde scans richten zich op kwetsbaarheden zoals de industriestandaard open Web Application Security Project (OWASP) Top 10. Ook worden er handmatige audits uitgevoerd. Deze handmatige acties zorgen ervoor dat ook minder voor de hand liggende problemen worden opgemerkt. Alle gegevens worden bewaard binnen de Europese Unie.

Voor meer informatie over het privacybeleid binnen SectorplanPlus, zie onze privacynotitie.

Nee, SectorplanPlus is een andere subsidieregeling. Sectorplan Zorg was via het ministerie van SZW, het SectorplanPlus is een subsidie van het ministerie van VWS. Daarom is er een aangepast portal, waarin het niet is toegestaan gegevens van organisaties over te dragen. Je kunt heel eenvoudig de organisatie registreren, met de meest actuele gegevens van dit moment.
 

U dient zich eerst te registeren op de site www.sectorplanplus.nl. Nadat u zich succesvol heeft geregisteerd, bent u automatisch ingelogd op de site.

Wanneer u de site opnieuw bezoekt, kunt u inloggen met het e-mailadres van de geregistreerde contactpersoon van de aanvraag en het door u (tijdens het registeren) gekozen wachtwoord. 

Indien u het wachtwoord niet meer weet, kunt u via wachtwoord opvragen een nieuw wachtwoord opvragen. U ontvangt op het e-mail adres van de geregisteerde contactperoon een e-mail met instructie om een nieuw wachtwoord in te stellen. 

De pagina's van de SectorplanPlus zijn ontwikkeld met moderne internettechnologie en werken het beste met de volgende browsers. De browsers die actief worden ondersteund zijn:

  • Google Chrome – meest recente versie
  • Mozilla Firefox – meest recente versie
  • Microsoft Edge – meest recente versie
  • Apple Safari - meest recente versie
  • Internet Explorer 11

Een aantal oudere en alternatieve browsers geven pagina's minder goed weer en kunnen minder veilig zijn. Ook werken bepaalde functionaliteiten niet bij deze browsers.

Wij raden u aan een combinatie te gebruiken zoals hierboven is weergegeven.

Het klopt dat u bij activiteit A, B en C1, maar één deelnemer kunt toevoegen. Er bij deze activiteiten gekozen om het op deelnemersniveau in te vullen, omdat deelnemers vaak op dezelfde dag starten, maar vaak een andere einddatum hebben (ermee stoppen, eerder of later klaar).

 

Wanneer koppelt u een intern traject aan een extern traject?
Dit doet u alleen als een interne docent bijdraagt aan een extern traject.

Hoe maakt u de registraties aan en op welk moment gaat u koppelen?
U maakt 2 vergelijkbare trajecten aan: 1 in intern en 1 in extern => u creëert daarmee 2 T-nummers. Deze kunt u indien gewenst hergebruiken.

Het koppelen van deze twee T-nummers doet u via “Indienen” onder de kop Registraties.

U selecteert het gewenste interne T-nummer, vult de gegevens correct in én u vinkt aan: “Registratie is gekoppeld aan een extern traject” én “Welke kosten neemt u mee: interne docentkosten”.
Indien u één van beide vinkjes vergeet kunt u dit nadat het D-nummer is gecreëerd niet meer aanpassen.

• De interne docentkosten kunnen worden opgevoerd in de interne registratie.
• De externe kosten en de verletkosten van de deelnemer(s) voert u op in de externe registratie.

Let op: bij intern hoeft u maar één deelnemer op te voeren om de “interne docentkosten” te koppelen.

Nu gaat u bij “registratie indienen” hetzelfde doen voor het externe traject.
Selecteer het gewenste externe T-nummer. Vul alle gegevens in en als u de verletkosten wilt meenemen, dient u dit meteen aan te vinken. Als u het heeft opgeslagen ontstaat er een tweede D-nummer.

In de externe registratie neemt u alle deelnemers (inclusief de reeds opgevoerde deelnemer in het interne traject) mee.
Het klopt dat u dus voor één deelnemer 2 keer een deelnemersverklaring, loonstrook start e.d. moet uploaden.